Regelgeving

1.0 Algemeen

 

Bouwbesluit
Het Bouwbesluit bevat bouwtechnische voorschriften waaraan alle bouwwerken, zoals woningen, kantoren, winkels e.d. in Nederland minimaal moeten voldoen. Ook verbouwingen vallen onder het Bouwbesluit. De eisen hebben betrekking op veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Het eerste Bouwbesluit is in 1992 in werking getreden en daarmee werden de technische bouwvoorschriften voor het hele land gelijk. Op 1 juli 2012 is een nieuw Bouwbesluit in werking getreden (Bouwbesluit 2012).

 

 

Minimum niveau

Het Bouwbesluit 2012 geeft het minimumniveau waaraan bouwwerken moeten voldoen. Een hoger niveau mag altijd om de kwaliteit van het bouwwerk te verhogen. Bijvoorbeeld: plafonds mogen alle hoogten boven 2.60 meter hebben en verdergaande energiebesparende maatregelen mogen altijd worden toegepast.

 

Verworven rechten

Het beginsel van verworven rechten houdt in dat de eisen voor bestaande bouwwerken zelden tot nooit worden aangepast. Bestaande bouwwerken hoeven bijna nooit ineens aangepast te worden om te voldoen aan nieuwe eisen. Nieuwe eisen zijn veelal van toepassingen op nieuwbouw. Het Bouwbesluit 2012 heeft daarom in principe geen gevolgen voor bestaande bouwwerken.

De ‘verworven rechten’ gelden ook voor verbouwingen. Bij verbouwvoorschriften wordt in veel gevallen naar het rechtens verkregen niveau verwezen. In het informatieblad over ‘verbouw ’wordt verder ingegaan op het rechtens verkregen niveau bij verbouwingen.

 

Geen lokale koppen

Het Bouwbesluit 2012 stelt eisen op landelijk niveau. Op lokaal niveau kunnen daarom geen zwaardere eisen worden gesteld aan bouwplannen dan die uit het Bouwbesluit. Voorheen waren veel technische eisen gesteld in gemeentelijke bouwverordeningen, waardoor per gemeente de kwaliteitsvereisten konden verschillen.

 

Gelijkwaardigheid

De eisen uit het Bouwbesluit 2012 waarborgen een bepaalde minimale kwaliteit van het gebouw voor veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en/of milieu. Bij veel eisen is aangegeven op welke wijze deze kwaliteit kan worden behaald. Dit betekent niet dat de gewenste kwaliteit slechts op die ene manier kan worden bereikt. Het Bouwbesluit kent daarom het gelijkwaardigheidbeginsel. Dit beginsel stelt dat bouwers vrij zijn in de wijze waarop ze de geëiste kwaliteit realiseren. In het informatieblad over ‘gelijkwaardigheid’ wordt hier verder op ingegaan.

 

Vrije indeelbaarheid

De eisen in het Bouwbesluit zorgen er zoveel mogelijk voor dat gebouwen vrij indeelbaar zijn. Tevens waarborgen eisen aan grote gedeelten van bouwwerken de (bouwtechnische) kwaliteit van de ruimten binnen deze gedeelten. Herindeling van ruimten in gebouwen is hierdoor mogelijk met een beperkt aantal eisen en zo min mogelijk moeilijke en dure verbouwingen. Ook betekent vrije

indeelbaarheid dat het herindelen van ruimten vaak vergunningsvrij kan gebeuren. In het informatieblad over ‘vrije indeelbaarheid’ wordt hier verder op ingegaan. 

 

Gebruiksbesluit

Vanaf 1 november 2008 gelden landelijke regels voor het brandveilig gebruik van gebouwen. Dan treedt het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, kortweg het Gebruiksbesluit in werking.

Met de inwerkingtreding komt een eind aan onnodige verschillen tussen plaatselijke bouwverordeningen en zijn de regels landelijk geüniformeerd.

 

Europese normen EN, productnorm (wat) en prestatie norm (hoe)

De Europese normen zijn ontwikkeld naar aanleiding van een mandaat van de Europese Commissie en de Europese Vrijhandelsassociatie aan CEN, op basis van de Europese Richtlijn Bouwproducten (89/106/EG) betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten. Deze richtlijn is ingesteld om de vrije verhandelbaarheid van bouwproducten binnen Europa te stimuleren. De normen komen dus voort uit een harmonisatieproces van de Europese regelgeving. De geharmoniseerde normen stellen eisen aan de gemandateerde eigenschappen,dat zijn eigenschappen die relevant zijn in het kader van de zes in de Richtlijn Bouwproducten vermelde fundamentele voorschriften voor de bouwwerken waarin de producten worden verwerkt (Mechanische sterkte en stabiliteit, Brandveiligheid, gebruiksveiligheid en voor zover van toepassing tevens geluidshinder, energiebesparing en warmtebehoud). De bouwwerkeisen zijn in het mandaat M 125 “Aggregates” van de Europese Commissie aan CEN “vertaald” in de vorm van producteisen en in de Europese normen nader uitgewerkt.

 

Gevolgen van de implementatie van de Europese normen

In de Europese Richtlijn Bouwproducten is gesteld dat producten die voor verwerking in bouwwerken bestemd zijn, alleen in de handel mogen worden gebracht als zij voor het beoogde doel geschikt zijn, dat wil zeggen dat zij zodanige eigenschappen bezitten dat de werken waarin zij worden verwerkt of toegepast, indien behoorlijk uitgevoerd, kunnen voldoen aan de fundamentele voorschriften, voor zover die werken zijn onderworpen aan regelingen waarin die voorschriften zijn opgenomen. Dit is het geval in het Nederlandse Bouwbesluit voor gebouwen en civiele bouwwerken

 

CE-markering en conformiteitverklaring

De CE-markering is van toepassing ten bewijze van de overeenstemming (“conformiteit”) van de producten met de geharmoniseerde Europese normen (of ETA’s). De uitvoering van een CE-markering wordt in de Europese productnormen beschreven. Volgens de Europese normen moet de fabrikant het type-onderzoek en de productiecontrole zelf uitvoeren. Zonodig (systeem 2+; zie volgende alinea) moet een erkende en bij de Europese

Commissie aangemelde certificerende instelling (“notified body”) ieder producttype en de productiecontrole daarvan beoordelen, ten bewijze daarvan een conformiteitcertificaat aan de producent afgeven en vervolgens de controle permanent bewaken.

De CE-markering dient door de fabrikant zelf op basis van een eigen EG-conformiteitverklaring te worden afgegeven en dient in het geval van systeem 2+ vergezeld te gaan van een EG-conformiteitcertificaat dat door de erkende certificerende instelling wordt verstrekt. De keuze van het conformiteitsysteem (2+ of 4) is afhankelijk van de veiligheidseisen voor het werk waarvoor de toeslagmaterialen bestemd zijn. De keuze is voorbehouden aan de nationale regelgevende overheid. Bij uitblijven van een bindende uitspraak van overheidswege zal naar verwachting het systeem per project door de opdrachtgever worden vastgesteld.

 

Samenvatting en conclusie

De eerste fase van de Europese normalisatie van toeslagmaterialen voor de bouw heeft een aantal productnormen met beproevingsnormen opgeleverd. Volgens Europese bouw- en aanbestedingsregelgeving

en de daarop afgestemde nationale regelgeving vormen deze normen de basis voor de levering van de materialen binnen Europa. De materialen zullen worden geleverd met een voor elk productsoort uniek maar soortgelijke CE-markering, die op dezelfde Europese bepalingen en daarvan afgeleide Europese normen is gebaseerd.

De bedoeling van de Europese Commissie is dat hierdoor het handelsverkeer binnen Europa eenduidig en zonder belemmeringen op basis van de Europese normen zal kunnen plaatsvinden. Indien voor bepaalde bouwwerken extra, specifieke, eisen aan de bouwproducten moeten worden gesteld, kunnen die per project/contract worden gespecificeerd zolang deze geen betrekking hebben op de CE-markering. Privaatrechtelijke keurmerken (zoals KOMO) kunnen op vrijwillige basis blijven bestaan, maar mogen niet in overheidsregelingen worden vastgesteld en moeten duidelijk gescheiden van de CE-markering worden toegepast. De in Nederland gebruikelijke normen komen te vervallen en de bestaande nationale regelingen, zoals de standaard RAW-bepalingen en de beoordelingsrichtlijnen (BRL’s) zullen, voor zover dat nog niet is gebeurd, op de Europese normen moeten worden aangepast.

In Nederland worden de EN normen verwerkt in de NEN normen door het Nederlandse Normalisatie instituut.

 

 

2.0 Brandwerend

 

WBDBO

Weerstand tegen branddoor slag en brandoverslag

 

WBO

Weerstand tegen brandoverslag (alleen bij buiten gevels)

 

Compartiment grootte

Indien men een compartiment wil bouwen dat groter is als het standaard BB (Bouwbesluit) compartiment van maximaal 1000 m² kan men het compartiment vergroten met behulp van de methode BvB 2007 (Beheersbaarheid van Brand). Volgens de methode BvB 2007 kun je de maximale compartiment grootte berekenen zodra de vuurbelasting per vierkante meter bekend is.

 

Basisformule: Amax * q ≤ 300.000*M

 

Waarin:

 

Amax = maximale gebruiksoppervlakte van het compartiment in vierkante meters

 

q = Gemiddelde vuurbelasting in kg vurenhout per m² gebruiksoppervlakte. In de waarde van q worden alle bijdragen aan de vuurlast verrekend die aan de brand kunnen deelnemen.

 

300.000 = Basis vuurlast van 300 ton vurenhout. Dit is tevens de maximale vuurlast in een brandcompartiment dat volgens het basispakket, pakket 1, is gerealiseerd.

 

 

M = Maatregelenfactor die geldt voor de 4 te onderscheiden maatregelenpakketten. M is gelijk aan 1 voor het basispakket (pakket I) en kan onder bepaalde voorwaarden oplopen tot 33 in maatregelenpakket IV (automatische blusinstallatie volgens allerhoogste uitvoeringsniveau).

 

Zowel de maximale Bouwbesluit compartimentgrootte van 1000 m² als de maximale brandlast van 300.000 kg vurenhout is gebaseerd op het 60 minuten onder controle houden van een brand met slechts één TS (= Tankauto Spuit > standaard inzet met 6 brandweerlieden). Een brandlast van 300.000 kg brand in 60 minuten, zonder ingrijpen, vanzelf op en 1000 m² is het maximale oppervlak dat een TS met de aanwezige middelen onder controle kan houden gedurende 60 minuten.

 

Let op: een BB compartiment voldoet altijd, maar een BvB compartiment dient altijd goedgekeurd te worden door Burgermeester en Wethouders.

 

Europees zijn de o.a. de volgende normen van toepassing:

Productnormen:

 

NEN-EN 13241:2016 nl (reeds vertaald in een NEN norm)

Industriële en commerciële garagedeuren en -poorten - Productnorm - Deel 1 - Producten zonder brand- of rookwerende eigenschappen

In de maak is

NEN EN 16034:2014 en 
Voetgangersdeuren, industrie-, bedrijfs- en garagedeuren, en ramen die open kunnen -
Productnorm, prestatiekenmerken - Brandwerende en/of rookbeperkende kenmerken

 

Prestatie normen:

Soms wordt in documenten de volgende norm genoemd die alleen voor de wand van toepassing is waarin het product wordt geplaatst.

NEN-EN 1364-1:1999

Bepaling van de brandwerendheid van niet-dragende bouwdelen - Deel 1: Wanden

Voor ons zijn meer van belang:

NEN-EN 1634-1:2015 en

Bepaling van de brandwerendheid en rookwerendheid van deuren, luiken, ramen en hang- en sluitwerk - Deel 1: Beproeving van de brandwerendheid van deuren, luiken en te openen ramen

Dit betreft dus de norm volgens welke deuren getest wordt. Daarbij horen ook nog de volgende:

NEN-EN 14600:2005 en - ingetrokken

Deuren en beweegbare ramen met brandwerende en/of rookweerstandkenmerken - Eisen en classificatie, hierin staat dus welke eisen mogelijk zijn, bv. E 30-60-90, W30-60, I 30-60-90 etc.

NEN-EN 13501-2:2016 en

Brandclassificatie van bouwproductie en bouwdelen - Deel 2: Classificatie op grond van gegevens van

brandwerendheidsproeven (behalve ventilatiesystemen)

Op basis van de test verteld deze norm dus in welke categorie uit 14600 je het geteste product moet plaatsen.

 

 

Daarnaast is nog een serie normen belangrijk aangezien je niet altijd de maatvoering van de te leveren producten kunt testen in testinstituten: de 15269. De normen uit deze serie zijn vrijwel allemaal nog in ontwikkeling (ontw.).

 

Uitbreiding geldigheidsgebied van resultaten van brandwerendheidsproeven

Sinds

NEN-EN 15269-1:2010 Ontw. en

1-mrt-10

Deuren en luiken - Deel 1: Algemene eisen

 

NEN-EN 15269-2:2012 Ontw. en

1-okt-12

Deuren en luiken - Deel 2: Scharnierende en taatsende deuren van staal

 

NEN-EN 15269-3:2012 en

1-aug-12

Deuren, luiken en te openen ramen, inclusief hang- en sluitwerk - Deel 3: Brandwerendheid van houten scharnierende en taatsende deuren en te openen ramen

 

NEN-EN 15269-7:2009

1-nov-09

Deuren, luiken en te openen ramen inclusief hang- en sluitwerk - Deel 7: Brandwerendheid voor stalen schuifdeuren

 

NEN-EN 15269-10:2011 en

1-apr-11

Deuren en luiken inclusief hang-en sluitwerk - Deel 10: Brandwerendheid van stalen rolluiken

 

NEN-EN 15269-11:2008 Ontw. en

N.t.b.

Deuren en luiken inclusief hang-en sluitwerk - Deel 11: Brandwerendheid van schermen

 

NEN-EN 15269-20:2009 Ontw. en

1-okt-09

Deuren en luiken - Deel 20: Hout en stalen scharnierende en taatsende deuren

 

 

Nederlandse normen:

 

NEN 6068+c1:2016 nl

Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten

Hierin wordt beschreven hoe E,I en W gekwantificeerd en bepaald moeten worden


E; Integrity ofwel vlamdichtheid

W; Radiation ofwel thermische isolatie op straling (max 15 kW/m2 op 1 meter afstand)

I; Insulation ofwel thermische isolatie op oppervlakte temperatuur meting max. ΔT 140˚C

 

NEN 6069+a1:2016 nl

NEN 6069+A1 geeft methoden voor de beproeving en klassering van de brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten in Nederland. Voorlopig is de brandwerendheid in de regelgeving geregeld in een duaal stelsel. Voor producten en bouwdelen met CE-markering moet de brandwerendheid worden bepaald volgens NEN-EN 13501-2, NEN EN 13501-3+A1 of NEN-EN 13501-4. Dit mag op vrijwillige basis ook voor andere bouwproducten en bouwdelen. Producten zonder verplichting tot CE-markering (waarvan de co-existentieperiode nog niet is beëindigd) mogen ook worden beoordeeld op de wijze zoalsvoor invoering van de Europese beproevingsnormen in Nederland gebruikelijk was en die is weergegeven op de NEN-website

 

 

 

3.0 Rookwerend

 

Op het moment is de norm in Nederland heel eenvoudig. De NEN 6075 meldt dat de WRD (= weestand tegen rook doorgang) bepaald wordt door 1,5 maal de vlamdichtheid bepaald volgens NEN 6069 te nemen. Specifiek voor rookschermen is er inmiddels ook de 12101-1 (RSV). Beide normen worden afwisselend toegepast.

Normen:

 

NEN 6075+c1:2012 nl

Bepaling van de weerstand tegen rookdoorgang tussen ruimten. Toegepast bij het bepalen van de weerstand teken rookdoorgang tussen ruimten in gebouwen.

NEN-EN 12101-1:2005/a1:2006 en

Installaties voor rook- en warmtebeheersing - Deel 1: Specificatie voor rookgordijnen

 

Draftstops: Dynamische dan wel vaste schermen die onder het bouwkundige plafond worden geplaatst. Deze kunnen uit doek, glas, staal of andere materialen worden vervaardigd. De Draftstop uit glasvezeldoek is een van de meest gebruikelijke varianten. Voor deze systemen bestaan geen normen: ze worden gedimensioneerd op basis van de compartimentgrootte of de hoogte van de sprinklerkoppen en dienen een aantoonbare weerstand tegen een vaak specifieke temperatuur te hebben. Grofweg kunnen de Draftstops worden onderverdeeld in twee categorieën:

 

  • De sprinkler draftstop: hoogte wordt bepaald door de hoogte van de sprinklerkoppen en temperatuur weerstand net boven de aanspreektemperatuur van de thermo-bulb van de sprinkler deflector. Doel: het concentreren van de warme lucht rondom de deflector teneinde de sprinkler sneller te activeren. Komt veelal voor in gebouwen met verschillende plafondhoogtes. Voorbeeld: een hal met een plafondhoogte van 6 meter, verspringend naar 8 meter. De brand breekt uit in het lage deel. Warme lucht stroomt naar de hoge hal, zodat de sprinklers niet daar aanpreken waar de daadwerkelijke brandhaard is.

  • De RWA draftstop: wordt bepaald door de afvoercapaciteit van de rookluiken in het dak. Voorbeeld: in een rookcompartiment kunnen de rookluiken 400 kubieke meter rook per minuut afvoeren. Het compartiment is 20 x 20 meter, dus de draftstop wordt 1 meter teneinde die 400 kuub rook in het compartiment op te vangen. De temperatuurklasse voor dergelijke systemen kan oplopen tot rond de 600 graden.